Menu:

header_wie_inspireerde_ons.jpg?v=2

Wie inspireerde ons ?

Het project heeft veel te danken aan Prof. Ph. Van Praag Jr., die door zijn publicaties op het gebied een stimulator was voor het verzamelen en onderzoeken van het Joodse exlibris in Nederland. Ons onderzoek van zijn exlibriscollectie in 2004 resulteerde in de beslissing van zijn zoon, dr. Philip van Praag, deze deelverzameling van meer dan 200 Joodse exlibris als bruikleen aan de Bibliotheca Rosenthaliana (Bijzondere Collecties UvA) over te dragen. Dat heeft ons weer gestimuleerd tot de organisatie van een reizende tentoonstelling van 40 exlibris daaruit.

Wie was Philip van Praag Jr. (1914-2000) ? *

Philip van Praag Jr. (1914-2000) was geen onbekende in de wereld van de exlibrisverzamelaars. Hij werd zelfs erelid van de vereniging Exlibriswereld. Van Praags specifieke aanpak van de exlibrisstudie heeft alles te maken met zijn socialistische en Joodse achtergrond.

Zijn vader, Philip van Praag (1887-1942) een in exlibriskringen welbekende “sierkunstenaar”, zette zijn talenten niet alleen in voor zijn gezin, maar ook voor het socialistisch ideaal. Philip zelf was maar liefst acht jaar lang zeer actief in de AJC, de jeugdbeweging van de SDAP. Deze beconcurreerde de jongerenorganisaties van de andere gezindten niet alleen hevig met haar ideologie, maar ook met haar bijzondere stilering. Geen wonder dat van Praag al van jongs af aan gefascineerd werd door het verband tussen kunst en samenleving en dat hij zich later intensief zou gaan bezighouden met Fré Cohen, de artistieke coryfee van de AJC. Na een onderwijzersopleiding voor de oorlog, een vanwege de crisis moeizame start op de arbeidsmarkt en het overleven van de Jodenvervolging, koos hij na de oorlog voor een academische carrière. In de jaren zestig werd hij benoemd tot hoogleraar in de demografie aan de universiteiten van Brussel en Leuven. In die positie kreeg zijn sociale belangstelling de overhand op zijn interesse in toegepaste kunst en publiceerde hij talrijke wetenschappelijk en politieke boeken en artikelen, voornamelijk over diverse aspecten van het bevolkingsvraagstuk. Met het oog op zijn latere bestudering van de Joodse symboliek op exlibris is het interessant te constateren, dat hij in deze jaren ook een studie schreef over de demografie van de naoorlogse Joodse bevolkingsgroep in ons land.
In 1933 maakte zijn vader een exlibris voor hem en begon hij een verzameling aan te leggen. In 1946 treffen we hem nog aan op de ledenlijst van de Nederlandse Exlibris-Kring, maar dan verdwijnt hij plotseling. “Na de oorlog,” zo zegt hij zelf in een interview,” ben ik met verzamelen opgehouden, omdat de mensen exlibris lieten maken om ze te kunnen ruilen. Toen werd het een kwestie van veel geld hebben en er zoveel mogelijk laten maken.” De exlibriscultuur was op een breukpunt aanbeland: het gebruiksexlibris maakte gaandeweg plaats voor het exlibris als verzamelobject, als van de titularis onafhankelijk artistiek product. Maar een jeugdliefde laat je nooit los. Rond het jaar dat hij met emeritaat ging gaf hij exlibrisopdrachten aan Pam Rueter. Ook begon hij zich toen te verdiepen in zijn AJC-verleden en in de verwevenheid van zijn eigen biografie met die van het Nederlandse socialisme. Hij schreef in 1981 een artikel over zijn vader en kennelijk stimuleerde hem dit tot een tweede leven als verzamelaar van exlibris en andere grafiek. Dat verzamelen stond nu evenwel geheel in dienst van vruchtbaar onderzoek en een niet aflatende stroom publicaties over het exlibris als gebruiksobject. Zijn sociale en kunstzinnige interesses zouden vanaf dat moment niet meer gescheiden zijn. In het verlengde van het artikel over zijn vader in het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis ligt het in 1983 verschenen boekje over de sociale symboliek op Nederlandse exlibris , waarin hij als historisch getuige iets wilde vastleggen van de kortstondige betekenis van symbolen in het interbellum en informatie wilde geven over de titularissen. Zijn biografische belangstelling was ook aanleiding mee te werken aan het Biografisch Woordenboek van het Nederlandse Socialisme. Hij publiceerde daarin o.a. over de grafici Albert Hahn en Fré Cohen. Vooral deze laatste had hem nooit losgelaten en het resultaat van die fascinatie was het samen met Peter van Dam geschreven en met een overzichtsexpositie verbonden standaardwerk over haar uit 1993. Niet alleen zijn socialistisch verleden bleef hem daarbij inspireren, maar ook de Joodse achtergrond, waarvan hij zich door zijn oorlogservaringen en zijn demografische onderzoek meer bewust was geworden. In 1986 sprak hij op het internationale exlibriscongres te Utrecht over de Joodse symboliek op het Nederlandse exlibris en in 1988 verscheen zijn mooie boekje over dit onderwerp.
In 1982 typeert hij in een artikel in Exlibriswereld het exlibris als een “egodocument” en tot zijn overlijden in 2000 zou hij zijn biografische nieuwsgierigheid naar de titularis uitleven in zijn vele artikelen in dit tijdschrift en op andere plaatsen. Daarbij verloor hij overigens de kunstenaar niet uit het oog. Zo gaf hij in 1997 en 1998 nog opdrachten aan Yvonne de Vries en Reinder Homan. Met dat al is hij uitzonderlijk voorbeeldig wat de exlibris-studie betreft, waarin het moet gaan om de eenheid van titularis, kunstenaar en sociaal-culturele context. Dit is ook het uitgangspunt van het project “Exlibris van Joden in Nederland”, waarmee geprobeerd wordt in de voetsporen te treden van de inspirerende pionier die Philip van Praag Jr. was.

Enige publicaties:

  1. Sociale symboliek op Nederlandse exlibris. Amsterdam: Wereldbibliotheek 1983.
  2. Joodse symboliek op Nederlandse exlibris. Amsterdam: Exlibriswereld / Zutphen: De Walburgpers 1988.
  3. Fré Cohen, 1903-1943: leven en werk van een bewogen kunstenares: een catalogue raisonné. [met Peter van Dam] Abcoude: Uniepers 1993. (uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Fré Cohen (1903-1943), een bewogen kunstenares, tekeningen en gebruiksdrukwerk’ in het Amsterdams Historisch Museum van 8 juni tot 29 augustus 1993).

Jan Aarts

Zie voor het volledige artikel: Exlibriswereld 48,4 (winter 2005). (Ook bij Rubriek Publicaties)

* Deze schets van Ph. van Praag publiceerde Jan Aarts als inleiding van zijn artikel ‘Lijst van publicaties [over exlibris en grafiek] door Philip van Praag jr.’ in Exlibriswereld 48,4 (winter 2005).

Drie exlibris van drie generaties Van Praag. Links het voor zichzelf in 1906 gemaakte exlibris van Philip van Praag sr. (1887-1942) met daarop de plateelschilder die hij was, gezien door een lens; daarnaast exlibris voor Philip van Praag jr. (1914-2000) door zijn vader Philip van Praag sr. (1887-1942), met algemene beelden: boeken, brandende kaars, studerende kop van junior; rechts het exlibris van Philip van Praag jr. jr. (*1947) door Lou Strik (1921-2001) met daarop een symbolische voorstelling van de klasseverhoudingen.